Het internet kent weinig geheimen voor mensen
van mijn generatie. Wie net als ik in het einde van de jaren tachtig is
geboren, heeft de opkomst van het internet heel bewust mee gemaakt. Dat je niet
kon bellen wanneer iemand zat te internetten en vice versa, de extreem lange
laadtijden van websites die toen nog geen fractie weergaven van wat men
tegenwoordig binnen enkele nanoseconden terug vindt op een website, enzovoorts.
Je zou er melancholisch van worden. Ook al maakte ik de opkomst mee, zelfs ik
kan me nog amper herinneren wat ik op een computer deed toen er nog geen
internet was.
Vooral vanaf de middelbare schooltijd begon
internet een belangrijke rol te spelen in het onderhouden van contacten. Wie
van de mensen van mijn leeftijd is niet opgegroeid met MSN, tenslotte. Elke
avond even inloggen en kijken wie er online was om te babbelen. De
meldinggeluidjes van een inkomende chat resoneren tot op de dag van vandaag
door mijn hoofd. En als je slim was, ging je pas online na Goede Tijden Slechte
Tijden. Immers, meer kans dat dat ene toch wel erg aardige meisje (nee, nee, ik
ben niet verliefd) uit klas 2D ook online zou zijn. Echter, MSN was
tweerichtingsverkeer. Het was een virtueel equivalent van een face-to-face
gesprek tussen twee personen.
Bij de opkomst van de sociale media, kwam het
verkeer uiteindelijk uit verschillende richtingen. Je kreeg niet enkel
informatie van één persoon, maar er werd tevens zichtbaar wat mensen met andere
mensen delen, tot welke netwerken van vrienden ze behoren, welke interesses ze
gemeen hebben, enzovoorts. Het gebruik van sociale media en sociale
netwerksites is in de afgelopen jaren veel gegroeid in populariteit. Sociale
netwerksites (SNS) typeren zich doordat ze het mogelijk maken voor mensen om
online communities te vormen en om user-created content te delen (Kim, Kim, Oh
& Ryu, 2010). Populaire sociale media kanalen als Facebook, Twitter en
Hyves bieden de mogelijkheid een profiel te onderhouden en interesses,
statusupdates, verhalen en foto’s toe te voegen en te delen met contacten.
Sociale internet media zijn niet langer het digitale evenbeeld van een
face-to-face gesprek. Nee, SNS realiseren dat we mensen op een zelfde manier
kunnen bekijken zoals we ze in fysieke gemeenschappelijke ruimtes kunnen
bekijken. Hoe mensen zich tot elkaar verhouden in een schoolkantine, welke
mensen elkaar kennen in een kroeg, en welke mensen dezelfde muzikale voorkeuren
hebben in een concertzaal. En zo zijn er nog legio voorbeelden te bedenken, en
al deze voorbeelden geven aan hoeveel informatie wij over onszelf prijsgeven
via SNS.
En wanneer het gaat om informatie prijsgeven,
komt er al snel een andere term om de hoek kijken: privacy. Ik sla het Ster
woordenboekje uit de boekenkast naast me even op en citeer, pri-va-cy [p r a j v e s ie] v(m) de mogelijkheid
om in eigen omgeving helemaal zichzelf te zijn. Deze definitie is als het gaat
om privacy met betrekking tot sociale media niet helemaal bevredigend. Immers,
zijn sociale media echt je eigen omgeving? Ik vergeleek de huidige sociale
media net met fysieke situaties waarin we ons gezamenlijk begeven. Een kroeg of
een schoolaula zou ik gevoelsmatig niet beschrijven als een eigen omgeving. Dus
speur ik verder naar een meer bevredigende definitie. Garfinkel (2000) schrijft
over privacy het volgende: privacy gaat niet over het verborgen houden van
dingen, het gaat om het zelf beheren, autonomie en integriteit. Privacy is het
recht van mensen om te controleren welke details van hun leven in eigen huis
blijven, en wat lekt naar de buitenwereld. Burgers en consumenten dienen te
weten wie welke informatie verzameld en hoe deze wordt gebruikt.
Als ik nogmaals naar de eerder beschreven
definitie van SNS (Kim et al., 2010), dan vind ik parallellen. Zij beschrijven
dat SNS zich typeren door het delen van informatie die door de gebruiker zelf
is gecreëerd binnen een online community, SNS als een omgeving waar een profiel
onderhouden waarin interesses, foto’s enzovoorts worden gedeeld met contacten.
Op sociale media als Facebook kun je zelf erg goed bepalen wat je met wie
deelt, je kan zelfs kiezen om dingen te delen met enkel de mensen die jij
typeert als ‘goede vrienden’, in plaats van al je contacten. Als we kijken naar
de definitie van privacy die Garfinkel (2000) geeft, kun je dus zeggen dat we aardige
controle hebben over dat wat wij willen ‘lekken’.
Waar gaat het dan fout, waar komen de
discussies over internetprivacy vandaan? In mijn ogen is het een combinatie van
te veel willen delen, en het niet bewust zijn van wat je nou eigenlijk deelt.
Van beiden, ter illustratie, een voorbeeld. Mensen Twitteren te pas en te
onpas, delen te veel. Ik hoef niet per se te weten dat iemand cupcakes heeft
gebakken of dat iemand ziek is. Voor sociale media er waren, belde ik volgens
mij ook niet iedereen op om dit even te delen. En ze zijn niet zich bewust van
wat ze zich delen. Binnen het bedrijf waar ik werk wordt niet meer over
gehaalde dagomzetten gesproken, omdat er mensen zijn geweest die deze
bedrijfsgevoelige informatie deelden via Facebook. Het logische gevolg van al
dat gedeel, is dat mensen meer over je weten wanneer je nooit iets het
wereldwijde web in stuurt. Ik weet meer over de chihuahua van mijn ex-collega
dan van mijn buurman. De keffende rat heeft godbetert een eigen pagina op
Facebook, terwijl mijn buurman door het vele sporten nauwelijks aan Facebooken
toekomt. Gelukkig is de enige die ik hier op de gang in mijn
appartementencomplex tref mijn buurman, daar ben ik dan wel weer blij mee.
Conclusie van alles wat ik hier boven
beschrijf, is dat ik vind dat we zelf meer moeite moeten steken in het bepalen
wat we willen ‘lekken’. Natuurlijk biedt het internet vele manieren om dingen
te achterhalen, het is een consequentie die een medium met zich meebrengt. Het
belangrijkste is dat we ons hier in steeds grotere mate bewust van worden. Ik
vind discussies waarin de overheid wordt beschuldigd ‘alles van ons te kunnen
weten middels het internet’ overtrokken. Sterker nog, de overheid heeft al
verschillende campagnes gevoerd om ons bewust te maken van onze digitale
lekkages. Zoals Stanislav, de Oostblok-crimineel, die via Hyves toch wel erg
dichtbij wist te komen..
Literatuur:
De Boer, W.Th. & De Smit, M.P. (2001). Ster Woordenboek Nederlands. Utrecht –
Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
Garfinkel, S. (2000). Database nation: The death of privacy in the 21st century. Sebastopol,
Calif.: O’Reilly.
Kim, J.K., Kim, H.K., Oh, H.Y. & Ryu, Y.U.
(2010). A group recommendation system for
online communities. International Journal of Information Management, 30(3),
212-219.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten