maandag 15 april 2013

3.0: Ha, die pa


Ha, die pa.

Ik zal gelijk met de deur in huis vallen. Ik volg op dit moment een vak dat Mediawijsheid heet. Het gaat over de implicaties van de veranderende samenleving, en de toename van nieuwe media. In de klas filosoferen we over de veranderingen binnen de maatschappij, hoe we ons van een 1.0 samenleving naar een 3.0 samenleving begeven. Dit vergt misschien een beetje uitleg; er vindt eens verschuiving plaats in de samenleving, waarbij globalisering, digitalisering en de toename van media centraal staan. De 3.0 samenleving kan ook gezien worden als een maatschappij waarin netwerken een steeds prominentere rol krijgt. Hierbij worden netwerken die eerder gesloten waren, aan elkaar verbonden, en ontstaat er een systeem waarin ieder kan delen en deelnemen. Als individu binnen de 3.0 samenleving ben je niet enkel ontvanger, maar ook zender, en lever je een actieve bijdrage, bijvoorbeeld via social media kanalen. Je bent in een 3.0 samenleving meer in staat om bij te dragen, en daarmee een rol op je te nemen. Is dat dan op dit moment al volledig aan de orde? Nee, we zitten nu eigenlijk een beetje in een overgangsfase, ofwel de 2.0 samenleving. De afstand tussen bestaande instituties en individuen wordt kleiner wanneer een individu op steeds simpelere wijze contact kan leggen, en de interactie toegankelijker wordt.

Ik noemde het al even, social media. Het meemaken van de opkomst hiervan is denk ik kenmerkend voor mijn generatie, omdat early adopters vaak jongeren zijn. De toename van het internetgebruik heeft in de vorige twee decennia gezorgd voor veel nieuwe ontwikkelingen. De toename heeft met name het laatste decennia gezorgd voor een sterke ontwikkeling van een Sociale Media omgeving op het web. Deze sociale netwerksites (SNS) worden bijvoorbeeld omschreven als websites die het mogelijk maken voor mensen om online communities te vormen en om user-created contents te delen (Kim, Kim, Oh & Ryu, 2010). Ook Boyd en Ellison (2007) hebben een soort gelijke definitie voor SNS: een web-gebaseerde dienst die het individuen mogelijk maakt om 1) een publiek of semi-publiek profiel te maken, 2) een lijst met andere gebruikers te onderhouden met wie ze een connectie delen, en 3) die lijst met connecties te bekijken of over te nemen van andere mensen binnen het systeem. De belangrijkste social media website is op dit moment ongetwijfeld Facebook. Bij mijn weten gebruik jij trouwens geen Facebook, anders mag ik toch hopen dat je me toevoegt. Of wil je mijn bestaan verborgen houden voor je vrienden?

Ik wil je vragen om een reactie over dit alles, ik moet voor dit vak namelijk een duo-blog schrijven. Je zal wel denken, zoonlief is weer te laks om verder te zoeken naar een medeblogger en klopt bij paps aan, maar eigenlijk sla ik meerdere vliegen in een klop. Zonder je te bestempelen als oude lul, ben je van een andere generatie. Och, herinner ik je even pijnlijk aan je midlife crisis? Dat compenseer ik dan wel weer door met je mee te gaan naar Muse-concerten enzo, heel vervelend ook, voor mij. Maar ik heb het voor je over. Nee, alle gekheid op een stokje. Je bent iemand die afkomstig is uit een 1.0 samenleving, en ik ben enkel daarom al benieuwd naar je gedachten over ontwikkelingen, wat denk je van sociale media en hoe helpen ze voor jou? Daarnaast ben ik voornamelijk benieuwd omdat je me ook iets kan vertellen over de implicaties van digitale ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Je werkt tenslotte bij de netwerkbeheerders-afdeling van een energiebedrijf, en daarmee werk je in een technischere branche, waar ik me als student in het onderwijs bevind, en daar straks ook mijn baan zal vinden. Dus pa, hoe ga jij om met sociale media, digitale ontwikkelingen, en hoe zie je deze terug op je werk en in jouw dagelijkse leven?

Groet, Tim.


Ha, zoon.

Bedankt voor je brief. Ik dacht eerst even, gezien de lengte van je brief, dat je geld nodig had ofzo. Dit bleek gelukkig niet waar. Okee, je hebt iets van me nodig, dat dan weer wel. Maar ik zal niet te flauw doen en je terug schrijven, ook al vind ik wel degelijk dat je me bestempelt als oude lul. Je hebt geluk, ik wilde al bijna je zus meevragen naar Muse, na deze grove belediging. Maar die vindt het herrie. 

Ik zal eerst reageren op wat ik van de ontwikkelingen denk met betrekking op de maatschappij. Ik sluit me een klein beetje aan bij de kersttoespraak van Bea, jaren terug. Ze sprak toen haar zorgen uit over sociale media. Iets over dat mensen straks hun buren niet meer kennen, maar wel allerlei mensen kennen via het internet. Ik heb ook altijd schouderophalend toegekeken hoe jij en je zus er zoveel mee bezig kunnen zijn. Als je hier weer thuis bent, is je iPhone geen kwartier stil. Het is heel anders dan vroeger, waar je voornamelijk face-to-face contact had met je vrienden. Maar aan de andere kant, zie ik ook wel in dat het te kort door de bocht is om hier heel veel zorgen bij te hebben. Ik denk namelijk dat de huidige generatie daardoor wel meer contact heeft. Of het contact net zo goed is, dat weet ik niet zo goed, maar het is een vorm van sociaal contact.

Dan over hoe ik zelf de ontwikkelingen van digitale media meemaak. Je hebt het fout, over mijn Facebook-account. Ik heb sinds je oom Spotify heeft laten zien, een Facebook-account aangemaakt om ook te kunnen luisteren. Maar niet op mijn eigen naam, en ik heb nul vrienden. Heb het te druk om me daar ook nog mee bezig te gaan houden. Ik maak thuis regelmatig gebruik van je moeders iPad, toch wel erg makkelijk als je even snel het nieuws wilt bekijken. Waar ik me zoals je weet veel mee bezig houd, is het verzamelen van Frank Zappa LP’s. Als ik dat twintig jaar terug had gedaan, had ik elke platenzaak af moeten struinen. Nu regel ik alles via eBay. Ik koop en verkoop ook regelmatig via Marktplaats. Dit zijn, denk ik, nog allemaal 2.0 toepassingen. Ik ben dan ook niet iemand die echt zelf bijdraagt. Hoewel, ik ben wel actief op LinkedIn. Ik heb de laatste jaren toch wel gemerkt, zeker wanneer ik conferenties bezoek, dat je niet meer meedoet als je geen LinkedIn-account hebt. Ik voeg mensen toe, breid mijn netwerk uit, en onderhoud contacten. Heel erg belangrijk, zeker in een periode waarin banen op de tocht staan.

Over de baan gesproken, dan maar. LinkedIn speelt ook daar een belangrijke rol, wanneer we een sollicitant hebben, wordt deze natuurlijk eerst even opgezocht. Niet alleen op LinkedIn overigens, maar via het internet kom je al snel van alles tegen over iemand. Ik denk dat op mijn vakgebied de belangrijkste ontwikkeling de ‘slimme meter’ is, waarmee mensen op een interactieve wijze hun energiegebruik kunnen bijhouden. Wordt met name de afgelopen tijd steeds populairder. Op de radio word je de laatste tijd helemaal suf van ‘Oscar’ van de concurrent Oxxio, die een iPad weggeeft bij de aanschaf van een slimme meter. Ik vind de reclame slecht, in het spotje reageert de zogenaamde consument pas zodra hij verneemt dat hij een iPad krijgt, alsof dat het enige belangrijke is. Zoals je weet ben ik na het zien van Al Gore’s film An Inconvenient Truth heel erg voorstander van milieubehoud en besparen, en ik denk dat inzicht in energiegebruik heel veel bijdraagt in het bewustzijn. Zo weet ik ondertussen al lang dat ik liever heb dat je daar in Tilburg zit. Ik kan precies zien, welke weekenden je hier thuis op stap bent geweest met je Zeeuwse vrienden. Dan ligt meneer tot twaalf uur op bed, en zie ik daar opeens een piek in het watergebruik, omdat meneer zijn kater weg moet spoelen. Ik breng het allemaal nog wel een keer in rekening.

Groet, pa




Bronnen:

Boyd, D.M., & Ellison, N.B. (2008). Social network sites: Definition, history, and scholarship. Journal of Computer Mediated Communication, 13(1), 210-230.

NOS. (25 december 2009). Kersttoespraak over social media. Geraadpleegd via http://nos.nl/koningshuis/video/259913-kersttoespraak-over-social-media-2009.html.

Kim, J.K., Kim, H.K., Oh, H.Y. & Ryu, Y.U. (2010). A group recommendation system for online communities. International Journal of Information Management, 30(3), 212-219.

maandag 1 april 2013

3.0: Veranderend Onderwijs


Brainstorm-modus: aan. Doppen van de viltstiften, een leeg vel voor onze neus. In één van de bijeenkomsten in de collegereeks Mediawijsheid, werd ons gevraagd een ideaalbeeld te schetsen van hoe een 3.0 school er uit zou moeten zien. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. 3.0 is verbonden zijn, je verbonden voelen, en altijd in staat kunnen zijn te verbinden. Verbinden, belangrijk dus. Over verbindingen gesproken, bam, daar werd zonder pardon een OV-terminal de grond uit gestampt, op ons eerder nog lege vel. Want als je verbinding met school niet goed is, dan is het eind natuurlijk zoek. Op het dak van de OV terminal; een metershoog WIFI-logo, die gelijk als zendmast dient zodat studenten tot en met honderd, nee duizend, nee honderdduizend kilometer afstand, kunnen inloggen op het schoolweb. Omdat er toch al zo’n groot WIFI-logo op het gebouw prijkte, werd de school maar alvast het WIFI-college genoemd, met connectiviteit als speerpunt nummer één. Naast de OV-terminal werd een megalomaan schoolgebouw uit de stift getrokken. Eigenlijk een enorm ouderwets grachtenpand, met een heuse trappetjes-gevel, maar dan wel heel 3.0, met een enorm digitaal informatiebord op de gevel, waarop uiteraard een Twitter-feed niet ontbreekt. Ook in de klas digitale media alom, met tablets die uit het bureau getrokken kunnen worden, en natuurlijk een elektronisch schoolbord.

Okee, ik geef toe, we waren wat wild en onbezonnen bezig. Daar was het een brainstormsessie voor. Toch denk ik dat we in de komende decennia veel van deze dingen daadwerkelijk in klaslokalen gaan terug zien. Het is nu eenmaal zo dat de ontwikkeling van digitale media er met name voor zorgt dat leerlingen op vele verschillende manieren toegang hebben tot kennis, vergeleken met de leerlingen van slechts enkele generaties terug. We bewegen ons richting een 3.0 samenleving. De 3.0 samenleving wordt gezien als een netwerkmaatschappij die gesloten netwerken verbindt en een relatief open systeem creëert waaraan iedereen kan deelnemen. Netwerken wordt dus steeds belangrijker. Via deze netwerken wordt niet alleen kennis opgenomen, maar er is ook ruimte voor het zelf bijdragen van kennis. Nieuwe media werken veel interactiever dan klassieke vormen van media. Door al die eigen bijdragen ontstaat een veelvoud van bronnen, dus hoewel we meer kennis tot ons kunnen nemen, wordt het toetsen van de validiteit van bronnen wel steeds moeilijker.

Hoe moet er nou in het onderwijs worden omgegaan met de maatschappelijke ontwikkelingen? Onderwijs is op dit moment nog heel erg klassiek, in de zin dat leerlingen doorgaans in een klaslokaal plaatsnemen, luisteren naar de docent, opdrachten uitvoeren voor die docent, en uiteindelijk weer naar huis gaan. Hoewel er steeds meer groepsopdrachten en dergelijke zijn, is deze manier van onderwijzen heel erg 1.0. Men zit, men hoort aan, en men neemt, hopelijk, kennis op. Er is in deze hoedanigheid weinig sprake van interactie. Volgens Sir Ken Robinson (2007) is er in het huidige onderwijs te veel sprake van een vaste hiërarchie. Boven in deze hiërarchie staan wiskunde en de talen, opgevolgd door Geesteswetenschappen, en onderaan de hiërarchie staan de kunstvakken. De creativiteit delft dus het onderspit in de huidige piramide. En is creativiteit niet heel belangrijk voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën en het doorbreken van huidige maatstaven?

Door het internet is onze wereld kleiner geworden. Ik heb zelf de periode nog gekend waar je voor een spreekbeurt op school naar de bibliotheek fietste, en dan hoopte dat ze daar genoeg boeken over je onderwerp hadden. Tegenwoordig klik je thuis vanachter je bureau door bakken informatie heen. Nee, trouwens, dat is te 2.0. Je leest je vanuit de keuken op je tablet in op je onderwerp, terwijl je in een ander tabje een recept open hebt staan wat je aan het koken bent, en je een muziekje opzet. Hoe dan ook, door de communicatie die het world wide web als nooit van te voren mogelijk maakt, is er veel ruimte voor het delen van ideeën, en daarom is informatie overal en voor iedereen beschikbaar (Leadbeater, 2008). Zodoende is er niet langer sprake van de ouderwetse hiërarchie in een piramidevorm, maar moet je eerder denken aan een vogelnest, een geheel dat bestaat uit allemaal losse takjes van verschillende planten. Ieder deelt zijn kennis, en ieder heeft toegang tot de gedeelde kennis.

Zo kan er dus ook over onderwijs gedacht worden. Leerlingen die takjes meebrengen om samen een nest te creëren. Ieder zou in een dergelijk systeem zijn steentje bijdragen, en er is meer ruimte voor interactie en creativiteit. Het zou een systeem zijn wat meer aansluit bij de huidige samenleving, en als we hier vanuit de basisschool mee zouden beginnen, leren kinderen veel eerder over het nut van netwerken. Er is alleen één ding waar wat mij betreft over nagedacht moet worden. Als we overgaan naar een systeem waar meer vrijheden in zitten, hoe wordt dan uiteindelijk een bepaald niveau van onderwijs gegarandeerd? Hoe 1.0 ook, op dit moment beschikt elke leerling over dezelfde informatie, immers, deze informatie wordt gewoon via de leraar verstrekt, en iedereen krijgt dezelfde kansen bij de toetsing. Ik denk eerlijk gezegd dat er toch wel een bepaalde hiërarchie moet blijven bestaan, om een bepaald niveau in de basisvakken te kunnen bewerkstelligen. Taal en wiskunde zijn en blijven gewoon heel belangrijk voor het ontwikkelen van de algemene kennis, en pas als de algemene kennis op een bepaald niveau is, is er wat mij betreft ruimte om van richtlijnen af te wijken, en na te denken over ruimte voor interactiviteit.

Dit klinkt heel streng en ‘old school’, maar ik denk dat 1.0 lesgeven een bepaald niveau kan garanderen. Ik heb nog steeds een redelijk niveau in Frans, omdat ik een zeer klassieke docent had die geloofde in disciplinair onderwijs. Rijtjes rammen. Hij zei dan soms dingen als ‘nu heb je er een hekel aan, en vinden jullie me een fossiel, maar later denk je er nog aan terug en denk je, daar hebben we toch veel aangehad, die lessen van Het Fossiel’, een bijnaam die hij zichzelf gaf en die hij met trots droeg. Ik zou zelf denken aan een soort 60/40 norm, waarbij er voor 60 procent les wordt gegeven op een klassieke wijze, maar waar er voor 40 procent vorm is voor interactiviteit en creativiteit. En zo zou dan elk vak ingedeeld moeten zijn. Op deze manier gaat elk vak mee in de huidige maatschappij. Un petit peu ‘je pense donc je suis’ et un petit peu ‘nous pensons donc nous sommes’. Overigens, hier geen Google Translate voor nodig. Dankuwel, Fossiel.


Bronnen:

LeadBeater. (2008). We think. Ontleend aan http://www.youtube.com/watch?v=qiP79vYsfbo

Robbinson K. (2007). Schools kill creativity. Ontleend aan http://www.youtube.com/watch?v=iG9CE55wbtY



maandag 25 februari 2013

3.0: De vooravond van de Nieuwe Middeleeuwen





Al sinds de mensheid belangrijke ontdekkingen heeft gedaan over manieren waar op in vroegere tijden werd gecommuniceerd, is duidelijk dat onze voorgangers gebruik maakten van afbeeldingen om boodschappen te verduidelijken. Denk bijvoorbeeld aan de symbolen uit het oude Egypte die zich ontwikkelden tot hiëroglyfen en belangrijke betekenisdragers werden in de communicatie van de Egyptenaren. Denk ook aan de ontdekking van de grottekeningen in Lascaux, Frankrijk, waar duidelijk werd dat ook in tijdperken ver voor het oude Egypte, tekeningen dienden als boodschappen. Door gebruik te maken van leem en verfbestanddelen, werd het jachtproces afgebeeld op de wand van een grot.

Over de exacte bedoeling van de grottekeningen wordt nog steeds in het duister getast, en niet alleen omdat het zo donker is in de grotten. Er zijn vele theorieën over de betekenis en het nut van de grottekeningen. Zo zouden de tekeningen behoren tot een ritueel dat bij de jacht hoorde. Er zijn ook theorieën over de angst die de oermensen hadden voor de geschilderde dieren, en dat deze angst bezworen werd door stamhoofden door de enge beesten op een grotwand te kalken. Ik was vroeger bang voor juf Gonneke, maar ik denk niet dat het had geholpen om haar met vingerverf op de keukenmuur te portretteren.

Eén ding is zeker; het gebruik van afbeeldingen bij de Egyptenaren heeft zich op een zekere manier ontwikkeld ten opzichte van het gebruik van afbeeldingen bij de prehistorische mens, en de ontwikkeling is daarna niet opgehouden. Deze hiërogliefen hadden al een meer iconische waarde dan tekeningen, en toen uiteindelijk in de loop der eeuwen symbolen zich ontwikkelden tot taaltekens. Bij het ontstaan van taal werd een deelbaar medium geboren, en door het doorgeven van taal werd kennis doorgegeven, en deze kennis lag aan de basis van welvaart. De rest is geschiedenis, en dankzij het ontstaan van de boekdrukkunst, werd deze geschiedenis nog wijder verspreid.

Ja, ik raas er even heel hard en ongenuanceerd doorheen. Deze beknopte geschiedenis staat aan de basis van een begrip wat wij in het heden kennen als geletterdheid. In de Middeleeuwen ging het hierbij vooral om in de mate waarin iemand kon lezen en schrijven, maar tegenwoordig is het begrip beter te omschrijven als de competentie om met informatie om te gaan, te begrijpen en doelgericht te gebruiken. Hierbij is een typische ontwikkeling gaande, als je het proces van een flinke afstand beschouwd. Vroeger werd kennis doorgegeven door zien en horen. Je zag iets, omschreef het aan de ander, en zo ging informatie van mond tot mond. Of als je er een beetje goed in was, maakte je er een schilderij van. Bij deze vormen van kennisoverdracht was altijd enige vorm van ruis aanwezig. Een schilderij werd altijd aangedikt, en bij de orale overlevering van verhalen, namen verhalen ook uiteindelijk andere vormen aan. Probeer het maar eens in de klas, start een roddel op. Grietje die een vriend heeft, maar aanvankelijk enkel naar een andere man keek, wordt na vele doorvertelbeurten een overspelig wicht, en Hans die eigenlijk voor Ajax is, maar ondanks dat toch zijn sympathie uitspreekt voor het spel van Bayern München, wordt uiteindelijk afgedaan als een gevaarlijke neo-nazi. Ik overdrijf marginaal, maar je snapt het idee.

Met het ontstaan van het lezen en schrijven, en later de boekdrukkunst, werd een vorm van kennisoverdracht gevonden die minder onderheven was aan ruis. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat alles wat geschreven is in een boek, waar is. Zo schreef Herman Brusselmans ooit in zijn boek dat Arnon Grunberg uit zijn muil riekt. Dergelijke zaken dienen toch geverifieerd te worden. Nee, zonder ongein, een boek als object an sich, blijft onveranderd, onafhankelijk van het aantal lezers. Anders dan de orale overlevering, leest iedereen het oorspronkelijke verhaal van de eerste ‘verteller’.

Dan komen we nu aan bij de thesis van Geeske Kanters (2012). In de scriptie van Kanters (2012) wordt gesproken over het begrip meervoudige geletterdheid. Hierbij draait het vooral om dat geletterdheid meer is dan de set regels over taal die je meekrijgt, maar dat geletterdheid ook onlosmakelijk is verbonden met beelden, lay-out, kleuren, enzovoorts. Er wordt gesproken over het feit dat de huidige generatie vraagt om een andere aanpak, om andere vaardigheden en om nieuwe meervoudige geletterdheid. Er wordt hier gesteld dat de jongeren van de nieuwe generatie nieuwe media sneller accepteren en eerder de behoefte hebben om buiten traditionele instituties te treden (Soetaert, 2006: 25).

Dergelijke theorieen zijn niet enkel van de jaren ’10. Mayer (2005) schreef al over een multimodale aanpak van leren. In The Cambridge Handbook of Multimedia Learning omschrijft hij het begrip multimedia als het presenteren van woorden (zoals bijvoorbeeld gedrukte tekst of gesproken tekst) en afbeeldingen (zoals bijvoorbeeld illustraties, foto’s, animatie of video). De nadruk ligt hierbij op het presenteren van beide condities (meerdere vormen van media). Vervolgens omschrijft hij het leren met behulp van multimedia als het opbouwen van mentale representaties vanuit woorden en afbeeldingen. Ook laat Mayer zien dat er twee richtingen zijn in de wetenschap van multimedialearning; De learner-centered approach is een benadering in het ontwerpen van instructies met de focus op het gebruiken van multimedia technologie als een steun van menselijke cognitie. De technology-centered approach focust meer op het gebruiken van technologie met betrekking tot instructies en op welke technologie het meest effectief is in het presenteren van informatie. Stilstaan bij de verschillende benadering van multimodaal leren biedt een goed kader om nieuwe onderwijsmethoden te formuleren.

Wat heeft die hele eerder beschreven beknopte geschiedenis van de geletterdheid dan met dit alles van doen? Eerder beschreef ik hoe geletterdheid in de zin van lezen en schrijven belangrijk is geweest voor de reductie van ruis in kennisoverdracht. Nieuwe media bieden kansen om op traditionele wijze gebruik te maken van het zien en luisteren zoals we dat voor de Middeleeuwen ook al deden. De informatiedragers zijn alleen meer betrouwbaar geworden, we luisteren via internet en televisie naar verhalen in plaats van naar orale overlevering. Als iemand iets wat hij heeft gezien wil delen, hoeft hij niet meer te schilderen, maar enkel een snapshot van zijn smartphone te delen op zijn wall. Het belangrijkste besef is dat boeken niet langer de meest nodige dragers zijn voor kennisoverdracht. De komende decennia zullen we gaan uitvinden hoe we deze klassieke vormen van kennisoverdracht in een modern jasje gaan integreren in het nieuwe leren, en hoe we traditionele vormen van leren langzaam loslaten.

Bronnen:
Kanters, G. (2012). Spiegeltje, spiegeltje in de hand (Master-thesis).

Mayer, R. E. (2005). Introduction to Multimedia Learning. In R. E. Mayer, The Cambridge handbook of multimedia learning (pp. 1-16). New York, NY: Cambridge University Press.

Soetaert, R. (2006). De Cultuur van het lezen. Den Haag: De Nederlandse Taalunie


vrijdag 8 februari 2013

3.0: Privacy


Het internet kent weinig geheimen voor mensen van mijn generatie. Wie net als ik in het einde van de jaren tachtig is geboren, heeft de opkomst van het internet heel bewust mee gemaakt. Dat je niet kon bellen wanneer iemand zat te internetten en vice versa, de extreem lange laadtijden van websites die toen nog geen fractie weergaven van wat men tegenwoordig binnen enkele nanoseconden terug vindt op een website, enzovoorts. Je zou er melancholisch van worden. Ook al maakte ik de opkomst mee, zelfs ik kan me nog amper herinneren wat ik op een computer deed toen er nog geen internet was.

Vooral vanaf de middelbare schooltijd begon internet een belangrijke rol te spelen in het onderhouden van contacten. Wie van de mensen van mijn leeftijd is niet opgegroeid met MSN, tenslotte. Elke avond even inloggen en kijken wie er online was om te babbelen. De meldinggeluidjes van een inkomende chat resoneren tot op de dag van vandaag door mijn hoofd. En als je slim was, ging je pas online na Goede Tijden Slechte Tijden. Immers, meer kans dat dat ene toch wel erg aardige meisje (nee, nee, ik ben niet verliefd) uit klas 2D ook online zou zijn. Echter, MSN was tweerichtingsverkeer. Het was een virtueel equivalent van een face-to-face gesprek tussen twee personen.

Bij de opkomst van de sociale media, kwam het verkeer uiteindelijk uit verschillende richtingen. Je kreeg niet enkel informatie van één persoon, maar er werd tevens zichtbaar wat mensen met andere mensen delen, tot welke netwerken van vrienden ze behoren, welke interesses ze gemeen hebben, enzovoorts. Het gebruik van sociale media en sociale netwerksites is in de afgelopen jaren veel gegroeid in populariteit. Sociale netwerksites (SNS) typeren zich doordat ze het mogelijk maken voor mensen om online communities te vormen en om user-created content te delen (Kim, Kim, Oh & Ryu, 2010). Populaire sociale media kanalen als Facebook, Twitter en Hyves bieden de mogelijkheid een profiel te onderhouden en interesses, statusupdates, verhalen en foto’s toe te voegen en te delen met contacten. Sociale internet media zijn niet langer het digitale evenbeeld van een face-to-face gesprek. Nee, SNS realiseren dat we mensen op een zelfde manier kunnen bekijken zoals we ze in fysieke gemeenschappelijke ruimtes kunnen bekijken. Hoe mensen zich tot elkaar verhouden in een schoolkantine, welke mensen elkaar kennen in een kroeg, en welke mensen dezelfde muzikale voorkeuren hebben in een concertzaal. En zo zijn er nog legio voorbeelden te bedenken, en al deze voorbeelden geven aan hoeveel informatie wij over onszelf prijsgeven via SNS.

En wanneer het gaat om informatie prijsgeven, komt er al snel een andere term om de hoek kijken: privacy. Ik sla het Ster woordenboekje uit de boekenkast naast me even op en citeer, pri-va-cy [p r a j v e s ie] v(m) de mogelijkheid om in eigen omgeving helemaal zichzelf te zijn. Deze definitie is als het gaat om privacy met betrekking tot sociale media niet helemaal bevredigend. Immers, zijn sociale media echt je eigen omgeving? Ik vergeleek de huidige sociale media net met fysieke situaties waarin we ons gezamenlijk begeven. Een kroeg of een schoolaula zou ik gevoelsmatig niet beschrijven als een eigen omgeving. Dus speur ik verder naar een meer bevredigende definitie. Garfinkel (2000) schrijft over privacy het volgende: privacy gaat niet over het verborgen houden van dingen, het gaat om het zelf beheren, autonomie en integriteit. Privacy is het recht van mensen om te controleren welke details van hun leven in eigen huis blijven, en wat lekt naar de buitenwereld. Burgers en consumenten dienen te weten wie welke informatie verzameld en hoe deze wordt gebruikt.

Als ik nogmaals naar de eerder beschreven definitie van SNS (Kim et al., 2010), dan vind ik parallellen. Zij beschrijven dat SNS zich typeren door het delen van informatie die door de gebruiker zelf is gecreëerd binnen een online community, SNS als een omgeving waar een profiel onderhouden waarin interesses, foto’s enzovoorts worden gedeeld met contacten. Op sociale media als Facebook kun je zelf erg goed bepalen wat je met wie deelt, je kan zelfs kiezen om dingen te delen met enkel de mensen die jij typeert als ‘goede vrienden’, in plaats van al je contacten. Als we kijken naar de definitie van privacy die Garfinkel (2000) geeft, kun je dus zeggen dat we aardige controle hebben over dat wat wij willen ‘lekken’.

Waar gaat het dan fout, waar komen de discussies over internetprivacy vandaan? In mijn ogen is het een combinatie van te veel willen delen, en het niet bewust zijn van wat je nou eigenlijk deelt. Van beiden, ter illustratie, een voorbeeld. Mensen Twitteren te pas en te onpas, delen te veel. Ik hoef niet per se te weten dat iemand cupcakes heeft gebakken of dat iemand ziek is. Voor sociale media er waren, belde ik volgens mij ook niet iedereen op om dit even te delen. En ze zijn niet zich bewust van wat ze zich delen. Binnen het bedrijf waar ik werk wordt niet meer over gehaalde dagomzetten gesproken, omdat er mensen zijn geweest die deze bedrijfsgevoelige informatie deelden via Facebook. Het logische gevolg van al dat gedeel, is dat mensen meer over je weten wanneer je nooit iets het wereldwijde web in stuurt. Ik weet meer over de chihuahua van mijn ex-collega dan van mijn buurman. De keffende rat heeft godbetert een eigen pagina op Facebook, terwijl mijn buurman door het vele sporten nauwelijks aan Facebooken toekomt. Gelukkig is de enige die ik hier op de gang in mijn appartementencomplex tref mijn buurman, daar ben ik dan wel weer blij mee.

Conclusie van alles wat ik hier boven beschrijf, is dat ik vind dat we zelf meer moeite moeten steken in het bepalen wat we willen ‘lekken’. Natuurlijk biedt het internet vele manieren om dingen te achterhalen, het is een consequentie die een medium met zich meebrengt. Het belangrijkste is dat we ons hier in steeds grotere mate bewust van worden. Ik vind discussies waarin de overheid wordt beschuldigd ‘alles van ons te kunnen weten middels het internet’ overtrokken. Sterker nog, de overheid heeft al verschillende campagnes gevoerd om ons bewust te maken van onze digitale lekkages. Zoals Stanislav, de Oostblok-crimineel, die via Hyves toch wel erg dichtbij wist te komen..


Literatuur:

De Boer, W.Th. & De Smit, M.P. (2001). Ster Woordenboek Nederlands. Utrecht – Antwerpen: Van Dale Lexicografie.

Garfinkel, S. (2000). Database nation: The death of privacy in the 21st century. Sebastopol, Calif.: O’Reilly.

Kim, J.K., Kim, H.K., Oh, H.Y. & Ryu, Y.U. (2010). A group recommendation system for online communities. International Journal of Information Management, 30(3), 212-219.