maandag 1 april 2013

3.0: Veranderend Onderwijs


Brainstorm-modus: aan. Doppen van de viltstiften, een leeg vel voor onze neus. In één van de bijeenkomsten in de collegereeks Mediawijsheid, werd ons gevraagd een ideaalbeeld te schetsen van hoe een 3.0 school er uit zou moeten zien. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. 3.0 is verbonden zijn, je verbonden voelen, en altijd in staat kunnen zijn te verbinden. Verbinden, belangrijk dus. Over verbindingen gesproken, bam, daar werd zonder pardon een OV-terminal de grond uit gestampt, op ons eerder nog lege vel. Want als je verbinding met school niet goed is, dan is het eind natuurlijk zoek. Op het dak van de OV terminal; een metershoog WIFI-logo, die gelijk als zendmast dient zodat studenten tot en met honderd, nee duizend, nee honderdduizend kilometer afstand, kunnen inloggen op het schoolweb. Omdat er toch al zo’n groot WIFI-logo op het gebouw prijkte, werd de school maar alvast het WIFI-college genoemd, met connectiviteit als speerpunt nummer één. Naast de OV-terminal werd een megalomaan schoolgebouw uit de stift getrokken. Eigenlijk een enorm ouderwets grachtenpand, met een heuse trappetjes-gevel, maar dan wel heel 3.0, met een enorm digitaal informatiebord op de gevel, waarop uiteraard een Twitter-feed niet ontbreekt. Ook in de klas digitale media alom, met tablets die uit het bureau getrokken kunnen worden, en natuurlijk een elektronisch schoolbord.

Okee, ik geef toe, we waren wat wild en onbezonnen bezig. Daar was het een brainstormsessie voor. Toch denk ik dat we in de komende decennia veel van deze dingen daadwerkelijk in klaslokalen gaan terug zien. Het is nu eenmaal zo dat de ontwikkeling van digitale media er met name voor zorgt dat leerlingen op vele verschillende manieren toegang hebben tot kennis, vergeleken met de leerlingen van slechts enkele generaties terug. We bewegen ons richting een 3.0 samenleving. De 3.0 samenleving wordt gezien als een netwerkmaatschappij die gesloten netwerken verbindt en een relatief open systeem creëert waaraan iedereen kan deelnemen. Netwerken wordt dus steeds belangrijker. Via deze netwerken wordt niet alleen kennis opgenomen, maar er is ook ruimte voor het zelf bijdragen van kennis. Nieuwe media werken veel interactiever dan klassieke vormen van media. Door al die eigen bijdragen ontstaat een veelvoud van bronnen, dus hoewel we meer kennis tot ons kunnen nemen, wordt het toetsen van de validiteit van bronnen wel steeds moeilijker.

Hoe moet er nou in het onderwijs worden omgegaan met de maatschappelijke ontwikkelingen? Onderwijs is op dit moment nog heel erg klassiek, in de zin dat leerlingen doorgaans in een klaslokaal plaatsnemen, luisteren naar de docent, opdrachten uitvoeren voor die docent, en uiteindelijk weer naar huis gaan. Hoewel er steeds meer groepsopdrachten en dergelijke zijn, is deze manier van onderwijzen heel erg 1.0. Men zit, men hoort aan, en men neemt, hopelijk, kennis op. Er is in deze hoedanigheid weinig sprake van interactie. Volgens Sir Ken Robinson (2007) is er in het huidige onderwijs te veel sprake van een vaste hiërarchie. Boven in deze hiërarchie staan wiskunde en de talen, opgevolgd door Geesteswetenschappen, en onderaan de hiërarchie staan de kunstvakken. De creativiteit delft dus het onderspit in de huidige piramide. En is creativiteit niet heel belangrijk voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën en het doorbreken van huidige maatstaven?

Door het internet is onze wereld kleiner geworden. Ik heb zelf de periode nog gekend waar je voor een spreekbeurt op school naar de bibliotheek fietste, en dan hoopte dat ze daar genoeg boeken over je onderwerp hadden. Tegenwoordig klik je thuis vanachter je bureau door bakken informatie heen. Nee, trouwens, dat is te 2.0. Je leest je vanuit de keuken op je tablet in op je onderwerp, terwijl je in een ander tabje een recept open hebt staan wat je aan het koken bent, en je een muziekje opzet. Hoe dan ook, door de communicatie die het world wide web als nooit van te voren mogelijk maakt, is er veel ruimte voor het delen van ideeën, en daarom is informatie overal en voor iedereen beschikbaar (Leadbeater, 2008). Zodoende is er niet langer sprake van de ouderwetse hiërarchie in een piramidevorm, maar moet je eerder denken aan een vogelnest, een geheel dat bestaat uit allemaal losse takjes van verschillende planten. Ieder deelt zijn kennis, en ieder heeft toegang tot de gedeelde kennis.

Zo kan er dus ook over onderwijs gedacht worden. Leerlingen die takjes meebrengen om samen een nest te creëren. Ieder zou in een dergelijk systeem zijn steentje bijdragen, en er is meer ruimte voor interactie en creativiteit. Het zou een systeem zijn wat meer aansluit bij de huidige samenleving, en als we hier vanuit de basisschool mee zouden beginnen, leren kinderen veel eerder over het nut van netwerken. Er is alleen één ding waar wat mij betreft over nagedacht moet worden. Als we overgaan naar een systeem waar meer vrijheden in zitten, hoe wordt dan uiteindelijk een bepaald niveau van onderwijs gegarandeerd? Hoe 1.0 ook, op dit moment beschikt elke leerling over dezelfde informatie, immers, deze informatie wordt gewoon via de leraar verstrekt, en iedereen krijgt dezelfde kansen bij de toetsing. Ik denk eerlijk gezegd dat er toch wel een bepaalde hiërarchie moet blijven bestaan, om een bepaald niveau in de basisvakken te kunnen bewerkstelligen. Taal en wiskunde zijn en blijven gewoon heel belangrijk voor het ontwikkelen van de algemene kennis, en pas als de algemene kennis op een bepaald niveau is, is er wat mij betreft ruimte om van richtlijnen af te wijken, en na te denken over ruimte voor interactiviteit.

Dit klinkt heel streng en ‘old school’, maar ik denk dat 1.0 lesgeven een bepaald niveau kan garanderen. Ik heb nog steeds een redelijk niveau in Frans, omdat ik een zeer klassieke docent had die geloofde in disciplinair onderwijs. Rijtjes rammen. Hij zei dan soms dingen als ‘nu heb je er een hekel aan, en vinden jullie me een fossiel, maar later denk je er nog aan terug en denk je, daar hebben we toch veel aangehad, die lessen van Het Fossiel’, een bijnaam die hij zichzelf gaf en die hij met trots droeg. Ik zou zelf denken aan een soort 60/40 norm, waarbij er voor 60 procent les wordt gegeven op een klassieke wijze, maar waar er voor 40 procent vorm is voor interactiviteit en creativiteit. En zo zou dan elk vak ingedeeld moeten zijn. Op deze manier gaat elk vak mee in de huidige maatschappij. Un petit peu ‘je pense donc je suis’ et un petit peu ‘nous pensons donc nous sommes’. Overigens, hier geen Google Translate voor nodig. Dankuwel, Fossiel.


Bronnen:

LeadBeater. (2008). We think. Ontleend aan http://www.youtube.com/watch?v=qiP79vYsfbo

Robbinson K. (2007). Schools kill creativity. Ontleend aan http://www.youtube.com/watch?v=iG9CE55wbtY



Geen opmerkingen:

Een reactie posten