Brainstorm-modus: aan. Doppen van de viltstiften, een leeg
vel voor onze neus. In één van de bijeenkomsten in de collegereeks
Mediawijsheid, werd ons gevraagd een ideaalbeeld te schetsen van hoe een 3.0
school er uit zou moeten zien. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. 3.0 is
verbonden zijn, je verbonden voelen, en altijd in staat kunnen zijn te
verbinden. Verbinden, belangrijk dus. Over verbindingen gesproken, bam, daar
werd zonder pardon een OV-terminal de grond uit gestampt, op ons eerder nog
lege vel. Want als je verbinding met school niet goed is, dan is het eind
natuurlijk zoek. Op het dak van de OV terminal; een metershoog WIFI-logo, die
gelijk als zendmast dient zodat studenten tot en met honderd, nee duizend, nee
honderdduizend kilometer afstand, kunnen inloggen op het schoolweb. Omdat er
toch al zo’n groot WIFI-logo op het gebouw prijkte, werd de school maar alvast
het WIFI-college genoemd, met connectiviteit als speerpunt nummer één. Naast de
OV-terminal werd een megalomaan schoolgebouw uit de stift getrokken. Eigenlijk
een enorm ouderwets grachtenpand, met een heuse trappetjes-gevel, maar dan wel
heel 3.0, met een enorm digitaal informatiebord op de gevel, waarop uiteraard
een Twitter-feed niet ontbreekt. Ook in de klas digitale media alom, met
tablets die uit het bureau getrokken kunnen worden, en natuurlijk een
elektronisch schoolbord.
Okee, ik geef toe, we waren wat wild en onbezonnen bezig.
Daar was het een brainstormsessie voor. Toch denk ik dat we in de komende
decennia veel van deze dingen daadwerkelijk in klaslokalen gaan terug zien. Het
is nu eenmaal zo dat de ontwikkeling van digitale media er met name voor zorgt
dat leerlingen op vele verschillende manieren toegang hebben tot kennis,
vergeleken met de leerlingen van slechts enkele generaties terug. We bewegen
ons richting een 3.0 samenleving. De 3.0 samenleving wordt gezien als een
netwerkmaatschappij die gesloten netwerken verbindt en een relatief open
systeem creëert waaraan iedereen kan deelnemen. Netwerken wordt dus steeds
belangrijker. Via deze netwerken wordt niet alleen kennis opgenomen, maar er is
ook ruimte voor het zelf bijdragen van kennis. Nieuwe media werken veel
interactiever dan klassieke vormen van media. Door al die eigen bijdragen ontstaat
een veelvoud van bronnen, dus hoewel we meer kennis tot ons kunnen nemen, wordt
het toetsen van de validiteit van bronnen wel steeds moeilijker.
Hoe moet er nou in het onderwijs worden omgegaan met de
maatschappelijke ontwikkelingen? Onderwijs is op dit moment nog heel erg
klassiek, in de zin dat leerlingen doorgaans in een klaslokaal plaatsnemen,
luisteren naar de docent, opdrachten uitvoeren voor die docent, en uiteindelijk
weer naar huis gaan. Hoewel er steeds meer groepsopdrachten en dergelijke zijn,
is deze manier van onderwijzen heel erg 1.0. Men zit, men hoort aan, en men
neemt, hopelijk, kennis op. Er is in deze hoedanigheid weinig sprake van
interactie. Volgens Sir Ken Robinson (2007) is er in het huidige onderwijs te
veel sprake van een vaste hiërarchie. Boven in deze hiërarchie staan wiskunde
en de talen, opgevolgd door Geesteswetenschappen, en onderaan de hiërarchie
staan de kunstvakken. De creativiteit delft dus het onderspit in de huidige
piramide. En is creativiteit niet heel belangrijk voor het ontwikkelen van
nieuwe ideeën en het doorbreken van huidige maatstaven?
Door het internet is onze wereld kleiner geworden. Ik heb
zelf de periode nog gekend waar je voor een spreekbeurt op school naar de
bibliotheek fietste, en dan hoopte dat ze daar genoeg boeken over je onderwerp
hadden. Tegenwoordig klik je thuis vanachter je bureau door bakken informatie
heen. Nee, trouwens, dat is te 2.0. Je leest je vanuit de keuken op je tablet
in op je onderwerp, terwijl je in een ander tabje een recept open hebt staan
wat je aan het koken bent, en je een muziekje opzet. Hoe dan ook, door de
communicatie die het world wide web als nooit van te voren mogelijk maakt, is
er veel ruimte voor het delen van ideeën, en daarom is informatie overal en
voor iedereen beschikbaar (Leadbeater, 2008). Zodoende is er niet langer sprake
van de ouderwetse hiërarchie in een piramidevorm, maar moet je eerder denken
aan een vogelnest, een geheel dat bestaat uit allemaal losse takjes van
verschillende planten. Ieder deelt zijn kennis, en ieder heeft toegang tot de
gedeelde kennis.
Zo kan er dus ook over onderwijs gedacht worden. Leerlingen
die takjes meebrengen om samen een nest te creëren. Ieder zou in een dergelijk
systeem zijn steentje bijdragen, en er is meer ruimte voor interactie en
creativiteit. Het zou een systeem zijn wat meer aansluit bij de huidige
samenleving, en als we hier vanuit de basisschool mee zouden beginnen, leren
kinderen veel eerder over het nut van netwerken. Er is alleen één ding waar wat
mij betreft over nagedacht moet worden. Als we overgaan naar een systeem waar
meer vrijheden in zitten, hoe wordt dan uiteindelijk een bepaald niveau van
onderwijs gegarandeerd? Hoe 1.0 ook, op dit moment beschikt elke leerling over
dezelfde informatie, immers, deze informatie wordt gewoon via de leraar
verstrekt, en iedereen krijgt dezelfde kansen bij de toetsing. Ik denk eerlijk
gezegd dat er toch wel een bepaalde hiërarchie moet blijven bestaan, om een
bepaald niveau in de basisvakken te kunnen bewerkstelligen. Taal en wiskunde
zijn en blijven gewoon heel belangrijk voor het ontwikkelen van de algemene
kennis, en pas als de algemene kennis op een bepaald niveau is, is er wat mij
betreft ruimte om van richtlijnen af te wijken, en na te denken over ruimte
voor interactiviteit.
Dit klinkt heel streng en ‘old school’, maar ik denk dat 1.0
lesgeven een bepaald niveau kan garanderen. Ik heb nog steeds een redelijk
niveau in Frans, omdat ik een zeer klassieke docent had die geloofde in
disciplinair onderwijs. Rijtjes rammen. Hij zei dan soms dingen als ‘nu heb je
er een hekel aan, en vinden jullie me een fossiel, maar later denk je er nog
aan terug en denk je, daar hebben we toch veel aangehad, die lessen van Het
Fossiel’, een bijnaam die hij zichzelf gaf en die hij met trots droeg. Ik zou
zelf denken aan een soort 60/40 norm, waarbij er voor 60 procent les wordt
gegeven op een klassieke wijze, maar waar er voor 40 procent vorm is voor
interactiviteit en creativiteit. En zo zou dan elk vak ingedeeld moeten zijn.
Op deze manier gaat elk vak mee in de huidige maatschappij. Un petit peu ‘je
pense donc je suis’ et un petit peu ‘nous pensons donc nous sommes’. Overigens,
hier geen Google Translate voor nodig. Dankuwel, Fossiel.
Bronnen:
LeadBeater. (2008). We think. Ontleend aan
http://www.youtube.com/watch?v=qiP79vYsfbo
Robbinson K. (2007). Schools kill creativity. Ontleend aan
http://www.youtube.com/watch?v=iG9CE55wbtY
Geen opmerkingen:
Een reactie posten